Informatie - 20 april 2026 om 10:00 - door Nica Broucke - 0 reacties

Inclusief onderwijs: op weg naar scholen voor iedereen?

Verslag STAN Webinar van 31.03.2026

Inclusief onderwijs staat nadrukkelijk op de Vlaamse beleidsagenda. Met het Perspectiefplan 2040 wil de overheid toewerken naar een onderwijssysteem waarin leerlingen met en zonder beperking samen naar school gaan. Die ambitie roept echter fundamentele vragen op: waarom is deze omslag nodig, waarom nu, en vooral - hoe maken we die waar? Tijdens een webinar van STAN gingen twee experten in op die vragen: AP Hogeschool-docent Beno Schraepen en Raissa De Visch van Ouders voor Inclusie. Dit is het verslag.

Beno Schraepen - Op weg naar scholen voor iedereen

Beno benadrukt dat hij spreekt vanuit zijn ervaring in de Commissie Inclusief Onderwijs en in de eerste plaats een beleidsverhaal wil brengen:

“De commissie werkte een jaar lang met mensen uit verschillende hoeken van het onderwijs en de academische wereld. Ondanks uiteenlopende visies waren we het snel eens over één doel: we moeten evolueren naar scholen voor iedereen. De vraag is dus niet langer of, maar vooral hoe we dat realiseren.”

Volgens Beno markeert dit een belangrijk kantelpunt. Waar het debat vroeger ging over de wenselijkheid van inclusie, verschuift de focus vandaag naar de concrete uitwerking ervan. Het gaat daarbij niet om losse maatregelen, maar om een fundamentele herdenking van hoe het onderwijs georganiseerd is.

Inclusief onderwijs vraagt met andere woorden een systeemverandering. De kernvraag is welke voorwaarden nodig zijn zodat scholen inclusief kunnen werken, leerlingen de nodige ondersteuning krijgen en leerkrachten er niet alleen voor staan. Dat betekent ook dat inclusie niet langer iets bijkomend is, maar het uitgangspunt van het systeem zelf moet worden.

Inclusief onderwijs als internationale norm

De vraag waarom we hier vandaag pas echt werk van maken, is volgens Beno terecht. Internationaal is inclusief onderwijs al lang de norm. Hij verwijst naar de Salamanca-verklaring van 1994 en het VN-verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap, dat België in 2009 ratificeerde. Dat verdrag verplicht staten om een inclusief onderwijssysteem te waarborgen.

Vandaag, vele jaren later, staat Vlaanderen nog maar aan het begin van die transitie. Dat maakt duidelijk dat het niet om een nieuwe trend gaat, maar om een achterstand die moet worden ingehaald.

“Het is een grondrecht, dus we moeten het organiseren.”

Ook in de Belgische Grondwet werd het recht op inclusie en redelijke aanpassingen verankerd. Daarmee is de discussie over het waarom in feite afgesloten. De opdracht ligt nu volledig bij het hoe: hoe vertalen we deze rechten naar een werkbare realiteit in scholen?

De realiteit: een gesegregeerd systeem

Vandaag bestaat ons onderwijs nog steeds uit twee gescheiden pijlers, die weinig met elkaar verbonden zijn. Leerlingen met en zonder beperking groeien daardoor grotendeels apart op, met gevolgen voor zowel hun ontwikkeling als voor de samenleving als geheel.

Dit systeem ontstond in de jaren zeventig en werd toen als vooruitgang beschouwd, omdat het inspeelde op specifieke noden. Vandaag botst het echter op zijn grenzen en hinkt Vlaanderen internationaal achterop.

Het buitengewoon onderwijs blijft groeien, terwijl onderzoek aantoont dat instroom vaak samenhangt met kansarmoede. Tegelijk staat de effectiviteit onder druk: de doorstroom naar arbeid en hoger onderwijs is beperkt en ook de schooluitval stijgt, zelfs binnen het buitengewoon onderwijs.

Volgens Beno wijst dit op een structureel probleem:

“We hebben uitsluiting genormaliseerd en vertrekken sterk vanuit een norm. Afwijkingen worden verklaard via diagnoses, wat het stoornisdenken versterkt. Ons onderwijs is daardoor eerder een motor van segregatie dan van inclusie.”

Die manier van denken heeft niet alleen impact op individuele leerlingen, maar ook op hoe we als samenleving omgaan met diversiteit. Door verschillen te medicaliseren en te organiseren in aparte systemen, wordt inclusie bemoeilijkt in plaats van gestimuleerd.

Tegelijk toont onderzoek aan dat inclusie werkt. Leerlingen presteren beter, ontwikkelen sterkere sociale vaardigheden en hebben meer kansen op lange termijn. Ook klasgenoten zonder beperking profiteren mee. Inclusie is dus geen nicheverhaal, maar relevant voor iedereen in het onderwijs

Naar een school in de buurt voor iedereen

Vanuit die vaststellingen groeit de ambitie om te evolueren naar scholen voor iedereen: kwaliteitsvol onderwijs voor elk kind, met passende ondersteuning.

“Daarom streven we naar scholen voor iedereen: goed onderwijs voor elk kind, met passende ondersteuning.”

Vandaag wordt inclusie vaak georganiseerd binnen een systeem dat daar niet op voorzien is. Dat leidt tot spanningen en ad-hocoplossingen. Daarom is volgens Beno een fundamentele hervorming nodig, waarbij inclusie het vertrekpunt wordt in plaats van een uitzondering.

Het beleid zet stappen via proefprojecten en pioniersscholen, met als doel te evolueren naar één onderwijssysteem waarin expertise wordt samengebracht. Dat betekent onder meer:

  • multidisciplinaire teams rond scholen
  • ondersteuning die niet afhankelijk is van diagnoses
  • nauwere samenwerking met ouders en welzijn

De bedoeling is dat expertise uit het buitengewoon onderwijs niet verdwijnt, maar anders wordt ingezet: dichter bij de leerling, en geïntegreerd in het reguliere systeem.

Het einddoel is dat elke leerling naar een school in de buurt kan gaan en daar maximaal kan participeren. Inclusie gaat dus verder dan aanwezigheid alleen; het gaat om echte deelname aan het klas- en schoolleven.

Tegelijk blijft dit een proces dat tijd, samenwerking en engagement vraagt. Beleidsmaatregelen alleen volstaan niet: inclusie moet ook in de praktijk gedragen en waargemaakt worden door scholen, leerkrachten en partners.

In bijlage vind je de powerpointpresentatie van Beno Schraepen.

Raissa De Visch van Ouders voor Inclusie: het perspectief van ouders

Raissa De Visch, die Joanne Uvin vervangt, brengt het perspectief van ouders binnen. Ze start met een toelichting over de werking van Ouders voor Inclusie:

“Onze organisatie bestaat al 25 jaar en zet in op inclusie in alle levensdomeinen. We vertrekken vanuit het ouderperspectief en brengen ouders samen om ervaringen te delen en elkaar te versterken.”

Voor haar betekent inclusie dat elk kind erbij hoort en kan deelnemen:

“Voor ons betekent inclusie dat elk kind erbij hoort, zijn talenten kan tonen en de juiste ondersteuning krijgt om mee te doen. Dat gebeurt in wederkerigheid: inclusie werkt in twee richtingen.”

Ouders als gelijkwaardige partners
Vandaag moeten ouders nog vaak strijden om inclusie mogelijk te maken. Niet elk kind vindt een plaats in het huidige systeem.

Daarom benadrukt Ouders voor Inclusie een aantal duidelijke uitgangspunten: geen segregatie, ouders als volwaardige partners, recht op ondersteuning zonder label, geen uitsluiting en versterking van professionals.

Raissa onderstreept het belang van samenwerking:

“Ouders zijn experten van hun kind en moeten als gelijkwaardige partners betrokken worden. Vandaag is dat nog te weinig het geval. We willen een horizontale samenwerking tussen school en ouders.”

Tegelijk leeft er bezorgdheid over de beperkte rol van ouders in toekomstige plannen. Ondersteuning moet beschikbaar zijn, maar inspraak blijft essentieel. Ook de samenwerking met welzijn moet sterker, zodat ondersteuning niet versnipperd raakt.

Inclusie betekent bovendien dat kinderen volwaardig deelnemen aan de klasgroep. Dat vraagt aanpassingen, maar ook hoge verwachtingen op maat van elk kind.

Verborgen uitsluiting en nood aan professionalisering

Volgens Raissa bestaan er vandaag nog te veel verborgen vormen van uitsluiting, zoals kinderen die niet voltijds naar school kunnen. Dat is problematisch: elk kind heeft recht op kwaliteitsvol onderwijs en volledige deelname.

Daarnaast is professionalisering cruciaal. Leerkrachten moeten zich voldoende ondersteund en bekwaam voelen om inclusief onderwijs te realiseren, en samenwerking met ouders moet daarin een duidelijke plaats krijgen.

Vragen en discussie

De uiteenzettingen riepen veel reacties op bij de deelnemers, die grotendeels ervaringsdeskundigen zijn.

Er werden vragen gesteld over de haalbaarheid van inclusie, bijvoorbeeld voor kinderen die nood hebben aan een prikkelarme omgeving. Het antwoord luidde dat een inclusieve context net meer flexibiliteit kan bieden om aanpassingen te doen.

Ook het welbevinden van kinderen kwam aan bod. Daarbij werd benadrukt dat inclusief onderwijs net moet bijdragen aan een beter welbevinden. Als dat niet het geval is, is er geen sprake van echte inclusie.

Daarnaast werd bezorgdheid geuit over de mogelijke extra druk op ouders. Volgens de sprekers moet het systeem net zo worden ingericht dat die druk vermindert en ondersteuning structureel wordt georganiseerd.

De plaats van het buitengewoon onderwijs

Een centrale discussie ging over het behoud van het buitengewoon onderwijs. Sommigen pleiten ervoor om dit naast inclusie te laten bestaan, terwijl anderen vinden dat de expertise behouden moet blijven, maar anders georganiseerd, meer geïntegreerd en dichter bij het kind.

Tot slot werd benadrukt dat er vandaag al verschillende snelheden bestaan in het onderwijs, en dat een inclusief systeem net moet bijdragen aan meer gelijkheid.

Nica Broucke

Reageren? Stuur een mailtje naar hallo@trefpuntstan.be met als onderwerp ‘Inclusief onderwijs voor iedereen?’

 

 

Documenten

Reacties

Plaats een reactie

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd