Opinie - Scholen voor iedereen! Echt voor iedereen?
Is inclusief onderwijs voor elk kind de beste keuze?
Johan Van Holderbeke is orthopedagoog en voormalig leerkracht in het buitengewoon secundair onderwijs. Vanuit zijn jarenlange professionele en persoonlijke ervaring volgt hij de evolutie naar inclusief onderwijs kritisch. In dit opiniestuk buigt hij zich over het concept ‘scholen voor iedereen’ en stelt hij de centrale vraag: is inclusief onderwijs werkelijk voor elk kind en elke jongere de beste keuze?
Intro
In april 2026 organiseerde Trefpunt Stan VZW een webinar over inclusief onderwijs. Benno Schraepen en een vertegenwoordiger van Ouders voor Inclusie mochten daar het woord voeren. Ik heb bewust niet deelgenomen. Ik hoorde hun opinies al meerdere keren. Ik las wel het verslag dat op de site van Stan gepubliceerd werd. Ik hoorde ook al enkele deelnemers aan het webinar. En laat me zeggen dat die op z’n minst niet onverdeeld positief klonken.
Ik schreef in het verleden al eerder artikels over inclusie in het algemeen en inclusief onderwijs in het bijzonder. Ik durf zeggen dat ik de ontwikkeling van visies, van de geesten van heel nabij heb meegemaakt. Ik studeerde orthopedagogiek in Leuven (afgestudeerd in 1994). Ik werkte zowat 10 jaar in de welzijnssector als orthopedagoog en leefgroepbegeleider. De laatste 19 jaar voor m’n pensioen (2024) werkte ik als leerkracht in het BuSO voor leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap. Daarnaast, maar zeker niet minder belangrijk, ben ik in 1976 als vrijwilliger begonnen op vakantiekampen voor hetzelfde doelpubliek. Hoewel sommigen van niet vinden, zou ik me toch een ervaringsdeskundige durven noemen.
In 2014 schreef ik een artikel naar aanleiding van het opstarten van het M-decreet in het onderwijs. Toen was de vraag van veel ouders nog of het gewoon dan wel het buitengewoon onderwijs het beste was voor hun kind. Als het van sommige mensen afhangt dan zal die keuze in 2040 niet meer gemaakt hoeven te worden. Dan zijn er scholen voor iedereen, zo staat het toch in het rapport van de commissie inclusief onderwijs[1]. Minister Demir, huidig (2026) minister van Onderwijs, heeft de eerste fase van het stappenplan van die commissie goedgekeurd. Dat betekent dat vanaf september 2026 pioniersscholen kunnen opstarten[2]. De bedoeling is dat zij later als voorbeelden kunnen dienen voor alle scholen om op te starten als ‘scholen voor iedereen’. Dat is de nieuwe term. Daar moet dan inclusie gerealiseerd worden. De grote vraag blijft echter of dit in het belang is van elk kind, iedere jongere? Is dit voor elk kind, voor elke jongere met specifieke onderwijsbehoeften de beste manier om ze voor te bereiden op een inclusief leven in de maatschappij?
Ik wil jullie graag meenemen in mijn verhaal. En vooraf wil ik toch nog even schetsen welke weg in het onderwijs de voorbije 25 jaar is afgelegd, vanaf het GOK-decreet, via het ontwerpdecreet over leerzorg en het M- en LS-decreet tot het rapport van de commissie inclusief onderwijs over ‘scholen voor iedereen’.

Voorgeschiedenis - een resem maatregelen en diverse ministers van onderwijs
Na mijn studies orthopedagogiek werkte ik in verschillende functies en bij verschillende ondersteuners als opvoeder en orthopedagoog. Tijdens mijn studies was van inclusie nog geen sprake. Toen spraken we over ‘integratie, personalisatie en normalisatie’[3]. Pas in de jaren 90 werd in Vlaanderen voor het eerst over inclusie gesproken. Professor Geert Van Hove was zo niet de eerste, dan toch één van de eersten om hiermee bezig te zijn. Het was rond die tijd dat ook ONT ontstond, en dat GRIP werd opgericht[4]. In die tijd werkte ik in een voorziening voor heel zwaar meervoudig verstandelijk gehandicapte kinderen en volwassenen. Terwijl Van Hove en de genoemde organisaties zich bij het inclusiebegrip vooral richtten op de hoger functionerende mensen moest ik moeite doen om ervoor te zorgen dat daarbij de doelgroep waarmee ik werkte niet uit het oog werd verloren. Dat ging niet vanzelf.
Toen minister Vanderpoorten de bevoegdheid onderwijs in de Vlaamse regering had (1999-2004) werd een eerste aanzet gegeven richting inclusief onderwijs. Op de site van de Vlaamse Gemeenschap zijn daar teksten van terug te vinden, ook van het debat dat toen in het Vlaamse Parlement werd gevoerd. Van alles wat daar gezegd werd is niet veel overeind gebleven. Enkel het systeem van de GOK-uren werd daaruit behouden. Deze afkorting staat voor Gelijke Onderwijskansen voor alle leerlingen[5]. De praktijk wees uit dat deze uren meestal toegekend werden aan kinderen die Nederlands niet als thuistaal hadden en/of van wie de ouders een laag opleidingsniveau hadden, en niet voor kinderen met een handicap.
Onder minister van onderwijs Vandenbroucke (rond 2005) werd een ontwerp van decreet gemaakt voor leerzorg in het onderwijs. Doel was om meer leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften de nodige ondersteuning te geven, ongeacht waar ze school liepen[6]. Dat was en is een nobele bedoeling. Er werd een heel systeem van inschaling ontwikkeld en een schema gemaakt om te zien in welk 'vakje' een leerling zou passen. Mij leek het vooral een zeer ingewikkeld systeem en bovendien zou het veel geld kosten om de nodige ondersteuning te kunnen geven. En dat geld was niet voorzien[7]. Bovendien waren ook allerlei groepen betrokkenen niet tevreden. Leerkrachten en hun vakbonden waren niet tevreden o.a. omdat die nodige ondersteuning er niet was. Ouders waren niet tevreden omdat sommige groepen van kinderen en jongeren (met matige en ernstige verstandelijke handicap) bij voorbaat waren uitgesloten van ondersteuning in het gewone onderwijs. Resultaat: er kwam niets van terecht.
Minister Smet (vanaf 2009) wou de draad terug oppakken. Maar omdat een volledig leerzorgdecreet er toch niet zou doorkomen maakte hij een soort 'leerzorg light'-decreet. Hij gaf daaraan de titel 'Dringende en Andere Maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften', het DAM-decreet. Omdat hij dat decreet koste wat het kost door het parlement wilde krijgen in deze regeringsperiode noemde men dat in de wandelgangen al snel het 'DRAM'-decreet. In licht gewijzigde vorm werd dit dan het decreet met 'Bijzondere en Noodzakelijke Maatregelen', het BNM-decreet. Maar omdat sommigen vonden dat alle maatregelen bijzonder en zeker noodzakelijk zijn noemde men het uiteindelijk het M-decreet, een decreet met maatregelen dus[8]. Dat trad in werking op 1 september 2015.
Inclusief onderwijs - een vlag die vele ladingen dekt
Van de oorspronkelijke bedoeling om aan alle leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften de nodige ondersteuning te geven, welk soort onderwijs ze ook volgden, bleef eigenlijk niet veel meer over. Voornaamste uitgangspunt (dogma?) leek (en lijkt nog altijd) te zijn dat er te veel leerlingen in het buitengewoon onderwijs school lopen en dat dit moet verminderen. Dat realiseren noemt men dan inclusief onderwijs[9].
De regering, het parlement en de onderwijsadministratie benadrukten in koor dat het M-decreet geen besparingsmaatregel was. De middelen die naar buitengewoon onderwijs gingen zouden bij een vermindering van het aantal leerlingen daar, overgeheveld worden naar het gewone onderwijs. Dat lijkt nobel. Anderzijds werd ook wel duidelijk gesteld dat er geen extra middelen voor ondersteuning gingen bijkomen. Dat betekent dat wanneer er meer leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften bijkwamen, zij het ook zouden moeten doen met de middelen die vrijkwamen uit het buitengewone onderwijs, ongeacht of dat voldoende zou zijn of niet.
Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften
En precies dat laatste is het grote heikel punt. Er wordt (nog altijd) te weinig (of niet?) gekeken naar de noden aan ondersteuning, naar de behoeften van de individuele leerlingen. Het concept van ‘specifieke onderwijsbehoeften’ dat in het M-decreet nog genoemd werd, lijkt nu helemaal verdwenen te zijn. Wanneer de vraag gesteld wordt zou ik dus durven zeggen: niemand kan in algemene termen antwoorden welke vorm van onderwijs dé beste is. Dat kan niemand. Evenmin kan iemand momenteel oprecht beweren dat er te veel kinderen en jongeren in het buitengewoon onderwijs zitten. Ik heb dat elders al ter discussie gesteld[10].
Voor alles moet gekeken worden naar wat een kind of jongere nodig heeft om alle ontwikkelingskansen te krijgen. En daar moet men rekening mee houden. Men mag er zeker geen 'dogmatische' kwestie van maken. Men doet of de onderwijswereld, de ouders, ... zo veel mogelijk leerlingen naar het buitengewoon onderwijs willen sturen. Dat is natuurlijk niet zo. Ik geloof dat in bijna alle gevallen alle betrokkenen hun uiterste best doen om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de leerling en dan te kijken waar die leerling best ‘thuis hoort’.
Hoe komt het dan dat steeds meer leerlingen in het buitengewoon onderwijs terechtkomen? Daar zijn volgens mij verschillende redenen voor. Ik kan die niet staven met cijfers, maar baseer me op ervaringen en verhalen die ik hoor van verschillende mensen.
Het zal lange tijd zo geweest zijn dat een boel leerlingen in het gewone onderwijs bleven zitten terwijl ze eigenlijk meer ondersteuning nodig hadden dan ze daar konden krijgen. Dat herinner ik me zelfs uit m'n eigen kindertijd bij ons op school en in de buurt. Die kinderen/jongeren kwamen de laatste 30 jaar steeds meer in het BO terecht. En terecht. Zijn er meer kinderen met ernstige problemen dan vroeger? Wanneer het gaat over de klassieke 'kinderen met een handicap' dan denk ik het niet. Kinderen met een verstandelijke handicap, met gezichts- of gehoorsproblemen, ... ik vermoed dat die er minder zijn. Er is meer prenatale diagnostiek. Er is meer en betere gezondheidszorg. Dat zorgt ervoor dat een aantal handicaps kan worden voorkomen.
Maar er zijn wel heel wat kinderen en jongeren met andere problemen die wel zijn toegenomen, zowel in graad als in aantal. De medische wereld gaat steeds maar vooruit. Eén van de gevolgen daarvan is dat er steeds meer kinderen die te vroeg geboren worden in leven blijven. En vaak hebben die een hoge levenskwaliteit. Maar vaak ook hebben die kinderen extra problemen. Dat kunnen lichte leerproblemen zijn, maar ook zwaardere problemen komen voor: verstandelijke handicap, zware motorische afwijkingen, zware meervoudige handicaps ... En ik vermoed dat de ondersteuning die voor hen nodig is nu niet gegeven kan worden in het gewone onderwijs. Zal dat in de scholen voor iedereen wel kunnen? Laat me toe dat te betwijfelen.
Een ander probleem ligt in de gezinssituaties van kinderen en jongeren. Steeds meer kinderen en jongeren groeien op in gezinnen met steeds meer problemen: nieuw samengestelde gezinnen, gezinnen met geweld en misbruik, gezinnen met zwakke pedagogische vaardigheden, gezinnen zonder inkomen uit arbeid, ... Deze problemen van de gezinnen uiten zich vaak in de zwakkere schakels van de gezinnen: de kinderen. Wanneer de pedagogische vraag van de kinderen niet voldoende beantwoord kan worden door de antwoorden van de ouders, dan ontstaan er problemen. Die kinderen hebben nood aan extra ondersteuning en die kunnen zij vaak niet krijgen in het gewone onderwijs. Dat is deels omdat er in het gewone onderwijs niet voldoende middelen zijn om die ondersteuning te geven. En daarmee bedoelen we echt niet alleen financiële of personeelsmiddelen, maar gewoon ook de nodige kennis, vaardigheden, methodieken, ... om die ondersteuning te bieden. Zelfs de middelen die ingezet worden via de leersteuncentra voldoen vaak niet om de nodige ondersteuning te bieden[11]. Deze kinderen en jongeren komen dan vaak in het buitengewone onderwijs van type 3 terecht: kinderen en jongeren met ernstige gedragsstoornissen.
Scholen voor iedereen? Of toch gewoon en buitengewoon onderwijs?
Zijn er kinderen met een verstandelijke handicap die in het gewone onderwijs les kunnen volgen[12]? Zijn er kinderen die gebaat zouden zijn met onderwijs binnen de scholen voor iedereen? Die zijn er zeker. Ik ken enkele van hen persoonlijk. Zij hebben een boel mogelijkheden en vaardigheden die hen toelaten in het gewone onderwijs les te volgen. Maar ze hebben niet alle talenten en vaardigheden. Daar duikt al een heikel punt op. Het curriculum moet aangepast worden. Die aanpassingen moeten redelijk zijn. Maar hoe ver kan je gaan zo dat de aanpassingen ‘redelijk’ blijven?
In het lager onderwijs kan je argumenteren dat het belangrijk is dat een kind liefst in zijn eigen omgeving les moet kunnen volgen, bij dezelfde kinderen die het ook in de buurt kan tegenkomen, met wie het samen in de jeugdbeweging zit... Maar gaat dit nog op voor leerlingen in het secundair onderwijs? Het sociale aspect van les volgen in het gewone onderwijs is belangrijk, maar op een bepaald moment moet het afgewogen worden tegen andere aspecten[13]. Heeft het zin om een kind heel lang in het gewone onderwijs te houden als het slechts zeer weinig van de gemeenschappelijke doelstellingen kan bereiken? Voelt het kind of de jongere zich daar goed bij? Ik hoorde al verschillende verhalen van kinderen die na jaren 'gewoon' onderwijs toch overschakelden naar het buitengewoon onderwijs en daar openbloeiden. Eind april 2026 maakte Pano een reportage over kinderen die niet naar school gaan, de thuiszitters. Een aantal van de ouders verwoordde sterk dat indien hun kind vroeger de juiste gespecialiseerde hulp gekregen had, de situatie niet zo erg geweest zou zijn. Het is dus beter niet te wachten 'tot het niet anders kan', maar het is goed op voorhand een boel dingen te overwegen.
Is het vanzelfsprekend om een kind met een verstandelijke handicap in het gewone onderwijs school te laten lopen? In geen geval. Ik kijk bewonderend en verwonderd naar de extra inspanningen en vaardigheden die dat van de familieleden vraagt. Daar zijn verschillende vragen en bedenkingen bij te maken. Niet alle families kunnen die extra inspanningen aan. Ook ouders hebben maar een bepaalde hoeveelheid draagkracht. Wanneer ik bij één welbepaald gezin zie welk organisatorisch talent de moeder aan de dag legt dan weet ik ook zeker dat dit niet voor iedereen is weggelegd. Zij heeft de vaardigheden om een KMO te leiden met daarin familieleden, leerkrachten, therapeuten, vrijwilligers, studenten en stagiairs, ... maar dat kan zeker niet elke ouder, niet elk gezin. Ook dat moet in acht genomen worden: heeft het gezin van de persoon voldoende draagkracht, voldoende mogelijkheden, voldoende energie om dit allemaal op te brengen?
Gezinnen met speciale ondersteuningsbehoeften
Eén van m'n voornaamste punten van kritiek op het M-decreet ging precies hier over. In het hele document ging men uit van de mogelijkheden van de kinderen en jongeren, en men ging kijken of die voldoende zijn om het gewone onderwijs aan te kunnen. Maar men besteedde totaal geen aandacht aan de mogelijkheden van het netwerk. Ik kan me perfect situaties indenken waarbij de mogelijkheden van de leerling op zich voldoende zijn voor het gewone onderwijs, maar waarbij die leerling toch niet zal slagen indien/omdat hij niet voldoende van thuis uit ondersteund wordt. In de school waar ik werkte[14], een OV2-school, kwam en komt regelmatig iets gelijkaardig voor. Er zijn leerlingen die volgens hun eigen mogelijkheden heel goed het werk in een maatwerkbedrijf zouden aankunnen: ze hebben voldoende vaardigheden op sociaal gebied, op arbeidsgebied, op fysisch en mentaal vlak. Maar als de leerling niet voldoende van thuis uit ondersteund wordt loopt het mis. Als er bv. niemand is om hem of haar af en toe eens achter de veren te zitten dan kan het makkelijk mislukken. Dat begint al bij het afgaan van de wekker (meestal heel vroeg) en het opstaan: soms is iemand nodig om een extra zetje te geven. Maar als de ouders zelf niet (moeten) opstaan en dat ook niet ondersteunen komt de persoon vaak te laat of niet op het werk en wordt hij of zij na korte tijd ontslagen. Wel, dat aspect, die sterkte of zwakte van het sociaal netwerk werd in het M-decreet helemaal niet in rekening gebracht. Ik meen te zien dat dit bij het idee van de scholen voor iedereen ook niet in rekening gebracht wordt.
Bovendien werd in het M-decreet nogal licht over het inschatten van de mogelijkheden heengegaan. Zo was er de dwaze norm om in aanmerking te komen voor onderwijs aan personen met een verstandelijke handicap. De grens werd vastgelegd op een IQ van 60. Al wie daarboven zat moest naar het gewone onderwijs, wie er beneden zat kon terecht in onderwijs type 2. Wablieft... het IQ... het intelligentiequotiënt? Terug naar de oertijd? Toen ik studeerde in Leuven, ondertussen toch ook al zo'n 35 jaar geleden, was de tendens dat het IQ als maatstaf wel stilaan zou verdwijnen, of op z'n minst maar één van de factoren zou worden om mee rekening te houden. Sociale vaardigheden, sociaal-emotionele ontwikkeling, psychische gezondheid, ... dat zouden ook allemaal factoren zijn die in rekening zouden worden gebracht om de nood aan ondersteuning in te schatten. Niet dus. Dat is minstens een gemiste kans, een stap terug naar het verleden. En al deze andere factoren werden en worden dus ook niet in rekening gebracht bij het inschatten van de mogelijkheden van een kind of jongere om het gewone onderwijs te kunnen volgen.
Vergelijkbaar is de argumentatie die nu het meest gebruikt wordt om de scholen voor iedereen door te drukken als het realiseren van inclusie. Men schermt voortdurend met het argument dat dit moet omdat het in het VN-verdrag staat. België heeft dit geratificeerd. Het is dus wet, het moet. Nog los van de interpretatie van die wet… dit is een legalistisch argument. Ook hier houdt men weer geen rekening met pedagogische, sociale en sociaal-emotionele argumenten … om te kijken hoe men een kind of jongere best kan ondersteunen.
Soms is het trouwens ook goed je geschiedenis te kennen. Het verlagen van een IQ om 'minder mensen gehandicapt te maken' is immers een beproefd concept. Ik verwijs naar de geschiedenis van de definitie van verstandelijke handicap zoals die binnen de AAIDD geëvolueerd is[15]. Die werd o.a. gebruikt om het recht op speciale ondersteuning in het onderwijs te kunnen toewijzen. Iemand had aanvankelijk recht op buitengewoon onderwijs vanaf het moment dat hij één standaarddeviatie onder het gemiddelde van de toen gehanteerde tests zat. Wellicht was dat nog de Stanford-Binet test. In vergelijkbare termen zou men nu kunnen zeggen dat iemand met een IQ minder dan 85 daar recht op had. Maar al snel kwam men tot de conclusie dat veel te veel mensen dan recht zouden hebben op die speciale ondersteuning. Volgens de regels van de normaalverdeling zou het gaan over 16 procent van de populatie. En wat men vooral ook besefte was dat het veel te veel zou kosten om hun allemaal die speciale ondersteuning te geven. Vlug heeft men dat dan beperkt tot mensen die meer dan twee standaarddeviaties onder het gemiddelde zaten. Dat gaat dan principieel over kinderen met een IQ kleiner dan 70 volgens de huidige tests en normering. Dan komt men uit op ongeveer 3 procent van de mensen die vanuit een verstandelijke beperking recht hebben op buitengewoon onderwijs. OK, de vergelijking is wat scheefgetrokken, maar ik kan me niet van het gevoel ontdoen dat de arbitraire grens van een IQ van 60 echt wel niets anders is dan een besparingsoperatie, of dat men daar minstens op hoopt.

Scholen voor iedereen? Echt? Voor iedereen?
Het idee van de scholen voor iedereen werd dus gelanceerd in het rapport van de commissie inclusief onderwijs[16]. Samen met de collega’s van het Nationaal Sectorcomité Buitengewoon Onderwijs van het COC hebben we dat rapport grondig gelezen en bestudeerd. En er zijn toch wel een heleboel bedenkingen bij te maken. Ik probeer ze hier kort en thematisch te beschrijven.
Ondanks dat het rapport zich beroept op onderzoek, statistieken en cijfers staan er toch heel dikwijls termen in zoals ‘wij geloven’, ‘wij zijn ervan overtuigd dat’, ‘recht hebben op’… Ik wist niet dat er (nog) zo veel gelovigen in Vlaanderen zijn. Het rechtenargument overheerst nog altijd. Zoals elders gemeld… het is een legalistisch discours waarbij pedagogische, sociale en sociaal-emotionele argumenten hoogstens op de achtergrond worden meegenomen, maar heel vaak zelfs helemaal niet in rekening worden gebracht.
Er worden cijfers aangehaald. Dat gaat bijvoorbeeld over aantallen leerlingen in het BuO in Vlaanderen en elders in de wereld en Europa. Maar dat is appels en peren vergelijken. Er zijn heel verschillende cijfers te vinden afhankelijk van de bron[17]. En de organisatie van het onderwijs verschilt vaak ook heel erg waardoor vergelijken heel moeilijk is. Ik vraag me dan ook af wat er met de kinderen/jongeren gebeurt (of gebeurd is) in landen als Roemenië en Bulgarije waarover we in een niet zo ver verleden reportages gezien hebben. Er wordt ook een cijfer aangehaald van hoeveel leerlingen er in een school zouden bijkomen: 11 leerlingen op een school van 300. Tiens, dat is net geen 4 procent. Terwijl elders in het rapport vermeld wordt dat er 4,7 procent van de leerlingen in het BuO zit. Tja… nauwkeurigheid?
Wanneer het gaat over mogelijke oplossingen zijn er toch een aantal zaken waar men heel makkelijk aan voorbij gaat. Hoe gaat men bv. (minstens) campusscholen organiseren met alle bestaande infrastructuur? Bij de voorbeelden die men geeft zie ik geen personen met een ernstige, meervoudige handicap, en bij vele zaken lijkt men niet te denken aan leerlingen die nu in type 2 OV1 en OV2 zitten. In een voetnoot (sic) geeft men ook toe dat de scholen voor iedereen voor 1 procent van de leerlingen zware ondersteuning zullen/zouden vragen. Zou dat dan té zwaar worden? En wat gaat men dan doen met die leerlingen?
Er worden heel wat zaken aangehaald of als voorbeeld gegeven waarbij men toch heel licht over de vraag van de praktische haalbaarheid heen stapt. Ik noem er maar enkele: de realiteit van de bestaande infrastructuur in de scholen, expertise uit het BuO via de leersteuncentra inzetten in alle scholen (en hoe gaan nieuwe leerkrachten expertise kunnen opbouwen?), ondersteuning vanuit de schoolbesturen (hebben die allemaal kennis van en ervaring met het BuO?), inzet van assistenten in de klassen (en er is nu al geen personeel te vinden voor onderwijs), de samenwerking tussen onderwijs en welzijn (maar ook in die laatste sector kampen ze met personeelstekort), … Men gaat er bovendien ook nogal gemakkelijk van uit dat voor al deze dingen voldoende (financiële en andere) middelen (zullen) beschikbaar zijn. In hoofdstuk 4.7 wordt gezegd dat men leerlingen wil samenbrengen volgens hun prestatieniveau… Ah… ik dacht dat we dat in het BuO (zeker in type 2) al deden. Dat is wellicht niet in alle soorten BuO zo, maar toch zeker daar. Is dat de ‘nieuwe visie’?
Dit alles is slechts een greep uit 4 bladzijden bedenkingen en vragen die ik bijeen schreef omtrent het rapport van de commissie inclusief onderwijs. Er blijven er dus nog heel veel onbenoemd.
Uitleiding
Er bestaat momenteel in het onderwijs een heel sterke tweedeling. Heel veel praktijkmensen zien de vorm van inclusie die het rapport ‘Scholen voor Iedereen’ voorstelt helemaal niet zitten. Dat zijn realisten. Maar er zijn anderen die te allen prijze toch aan deze vorm van inclusief onderwijs willen vasthouden. Je zou ze idealisten kunnen noemen, maar ik noem ze eerder ideologen. Want dat is wat inclusie voor en door veel mensen jammer genoeg geworden is: een ideologie die niet in vraag mag worden gesteld.
Ben ik nu een tegenstander van inclusie, van inclusief onderwijs? Nee, absoluut niet. Maar laat ons dan a.u.b. een andere definitie van inclusie hanteren. Kort gezegd betekent het dat iedereen een eigen en gewaardeerde plaats in de samenleving heeft. Daarover schreef ik vroeger ook al verschillende keren, het eerst n.a.v. de prestaties van Marieke Vervoort op de Paralympics van 2012 in Londen.[18]
Laten we ten slotte de term inclusie ook niet ‘banaliseren’. Tegenwoordig wordt de term zo vaak in allerlei omstandigheden gebruikt dat je soms niet meer weet welke lading hij dekt. Heel straf vond ik het in de berichtgeving van 19 augustus 2026 over de regels van de klimzalen over al dan niet met ontbloot bovenlijf klimmen. Daar vond de uitbater van een klimzaal dat ze heel inclusief waren, omdat mannen en vrouwen samen konden klimmen. Welaan… Ergens begrijp ik het wel, maar dan moeten we toch ook opletten dat we het begrip inclusie niet te ver gaan uithollen.
Johan Van Holderbeke
Voorzitter STAN Gent-Eeklo
Voetnoten
[1] Je vindt het rapport hier: https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestanden/advies-commissie-inclusief-onderwijs.pdf
[2] Je vindt de geselecteerde scholen hier: https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestanden/Projecten-met-pioniersscholen-september-2026.pdf
[3] Deze begrippen leerden we van Professor Marcel Van Walleghem die doceerde over personen met een mentale handicap.
[4] ONT: Onze Nieuwe Toekomst, self-advocacy beweging in Vlaanderen. GRIP: Gelijke Rechten voor Iedere Persoon, een belangenvereniging, vooral toch voor personen met een handicap.
[5] Voor meer informatie: https://data-onderwijs.vlaanderen.be/edulex/document.aspx?docid=13298
[6] Voor meer informatie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Leerzorg
[7] Ik had in die tijd op het judotornooi van De Buitelaars een gesprek met Helga Stevens die resoluut zegde dat haar partij (toen kartel CD&V-NVA) dit nooit zou goedkeuren indien er geen garanties waren dat er voldoende financiële middelen zouden voorzien worden.
[8] Voor meer informatie: https://nl.wikipedia.org/wiki/M-decreet
[9] Vroeger had ik het er al over dat dit een verkeerde invulling van het begrip inclusief onderwijs en 'inclusie' in het geheel vond. Inclusie betekent dat iedereen een eigen en gewaardeerde plaats krijgt, waar die plaats ook is. Maar het beleid schijnt inclusief enkel te verstaan als 'alles in het gewone'. Dit uiteenzetten zou ons hier te ver leiden. Misschien kan je m'n artikel hier vinden: https://www.facebook.com/notes/johan-van-holderbeke/apart-en-toch-inclusief/524006250974546 ). Indien niet wil ik het wel eens bezorgen.
[10] https://www.knack.be/nieuws/het-buitengewoon-onderwijs-is-niet-het-gas-dat-de-mijnwerker-verstikt-maar-de-kanarie-die-als-eerste-alarm-slaat/
[11] Voor meer info over de leersteuncentra: https://www.vlaanderen.be/onderwijs-en-vorming/ondersteuning-en-begeleiding-voor-leerlingen-cursisten-en-studenten/basis-en-secundair-onderwijs/leersteun-voor-leerlingen-met-specifieke-onderwijsbehoeften
[12] Ik spits me hier nu toe op leerlingen met een verstandelijke handicap.
[13] Je kan trouwens ook de bedenking maken dat er vele kinderen/jongeren zijn die bij de overstap van lager naar secundair onderwijs weggaan uit hun onmiddellijke sociale omgeving. Soms is het omdat ze een opleiding willen volgen die dichtbij hun woonplaats niet te vinden is, soms is het omdat een internaat een goede oplossing is gezien de gezinssituatie, ... er zijn vele redenen denkbaar.
[14] Ik ben op pensioen sedert september 2024.
[15] Ik verwijs hier naar de definitie zoals die bestond eind 19e begin 20ste eeuw, toen de organisatie nog AAMR heette.
[16] Nog eens de verwijzing naar het rapport: https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestanden/advies-commissie-inclusief-onderwijs.pdf
[17] Een kort opiniestuk hierover: https://www.knack.be/nieuws/het-buitengewoon-onderwijs-is-niet-het-gas-dat-de-mijnwerker-verstikt-maar-de-kanarie-die-als-eerste-alarm-slaat/. Lees ook: https://www.knack.be/factcheck/factcheck-dat-ons-land-de-meeste-leerlingen-in-het-buitengewoon-onderwijs-heeft-is-niet-bewezen/.