Opinie
- 04.04.2019

“Jo Vandeurzen hééft recht op een uittredingsvergoeding, hij moet dat recht alleen nog activeren”

Minister van Welzijn Jo Vandeurzen kondigde aan dat hij bij de parlementsverkiezingen op 26 mei geen lijsttrekker meer zal zijn. Hij wil voor zijn pensioen nog graag een andere functie opnemen. En zijn uittredingsvergoeding als parlementslid – die zo’n 400.000 euro zou bedragen – moet hem daarbij helpen. Luc De Coster van Stan – Trefpunt Verstandelijke Handicap bestrijdt niet dat Jo Vandeurzen recht heeft op een uittredingsvergoeding. “Net zomin als hij het recht van mensen met een handicap op een ondersteuningsvergoeding ter discussie stelt. Ik verwacht alleen dat de minister zijn recht activeert zoals mensen met een handicap dat met hun recht moeten doen - een procedure die hij één van zijn belangrijkste realisaties noemt.”

De eerste stap is dat Jo Vandeurzen zijn curriculum als politicus uitschrijft en ieder aspect met documenten staaft. Net zoals mensen die een ondersteuningsvergoeding willen krijgen eerst moeten aantonen dat ze een erkende handicap hebben.

Nadat Jo Vandeurzen zijn politieke loopbaan heeft bewezen, moet hij een ondersteuningsplan opstellen dat gebaseerd is op het door hem uitgewerkte model met concentrische cirkels. In de binnenste cirkel geeft hij zijn eigen vermogens aan. In de tweede cirkel vermeldt hij de inkomens van zijn ouders, partner, kinderen en andere naaste familieleden. De derde cirkel bestaat uit de vrienden, kennissen en zakenrelaties van de minister bij wie hij extra steun kan bekomen. En in de vierde cirkel dient hij de reguliere en andere diensten op te lijsten die hij om ondersteuning heeft gevraagd, zoals het OCMW, de RVA of Familiehulp. Blijkt uit zijn plan dat minister Vandeurzen globaal genomen op onvoldoende ondersteuning kan rekenen, kan hij een aanvraag indienen om hem zijn uittredingsvergoeding toe te kennen.

Het bedrag waar Jo Vandeurzen recht op heeft, wordt objectief berekend door de zorgzwaarte in te schalen. Hoeveel heeft hij nodig om een menswaardig bestaan te kunnen leiden? Om dit bedrag – eventueel verminderd met de inkomsten die hij in zijn ondersteuningsplan aangeeft – te kunnen innen, moet de minister een prioriteitsaanvraag opstellen.

Net als bij mensen met een handicap die een ondersteuningsvergoeding aanvragen, wordt de prioriteit ook in de situatie van Jo Vandeurzen bepaald aan de hand van tien criteria die hij zelf heeft uitgewerkt. Hoe complex en intensief is zijn ondersteuningsnood? Hoe ernstig is de draagkracht van zijn mantelzorgers overschreden? Heeft hij maximaal gebruik gemaakt van schenkingen door vrijwilligers en reguliere inkomsten, bijvoorbeeld uit arbeid? Kan hij aantonen dat zijn integriteit op korte termijn ernstig zal worden geschonden indien hij de vergoeding niet krijgt? Kan hij aantonen dat de integriteit van zijn naasten op korte termijn ernstig zal worden geschonden? Is de evolutie van zijn zorgwekkende situatie onhoudbaar en uiterst kritiek? Is zijn sociale integratie in gevaar? Zal hij ontwikkelingskansen missen en afhankelijk worden van derden indien hij zijn vergoeding misloopt? Heeft hij een uitzonderlijk grote behoefte en is die al aantoonbaar minstens twintig jaar door zijn naasten gedragen?

Indien Jo Vandeurzen op alle punten blijk geeft van de hoogste nood, dan krijgt zijn aanvraag de hoogste prioriteit en zal hij normaliter binnen drie tot vier jaar over zijn uittredingsvergoeding kunnen beschikken. Blijkt de nood voor één of meerdere criteria niet zo hoog te zijn, voorziet het door hemzelf bedachte evaluatiesysteem een lage prioriteit en mag hij zijn vergoeding als uittredend minister wellicht binnen iets meer dan 20 jaar verwachten